Sinds het afgelopen jaar raken politieke partijen steeds meer bewust van de term deugdelijk bestuur. Het wordt steeds vaker gebruikt om de indruk te wekken dat de partij werkelijk volgens strakke normen bezig is en uitsluitend het goede voor heeft met de gemeenschap. Het wordt zelfs gebruikt om aan te geven dat de partij in het verleden heeft bestuurd volgens de normen van deugdelijk bestuur. Niets is echter minder waar. Dit geldt vooral voor de twee grote partijen die de afgelopen 30 jaar om toerbeurt de politieke dienst in Aruba hebben uitgemaakt.

Zo was het personeelsbeleid tijdens de verschillende kabinetten onveranderd ondeugdelijk. Niet alleen werden bovenmatig veel ambtenaren benoemd, maar een en ander ging regelmatig ook tegen wettelijke regels in. Geen enkele partij heeft ooit gevolg gegeven aan adviezen en waarschuwingen van lokale, noch internationale adviserende en controlerende instanties met betrekking tot het gevoerde personeelsbeleid. De gevolgen van dat beleid en de systematische weigering van bestuurders om daar verandering in aan te brengen hebben een belangrijke rol gespeeld in de toename van de financiële malaise van Aruba. De zeer hoge personeelskosten vormen momenteel het grootste struikelblok voor een structurele verbetering van de overheidsfinanciën. Overtollig personeel heeft de Arubaanse gemeenschap inmiddels miljarden florin gekost.

Maar ook het financieel beheer was ondeugdelijk. Zo was de kwaliteit van elke begroting zonder uitzondering ver beneden de maat en vond er ook geen leerproces plaats. Niet alleen de Raad van Advies (RvA), maar ook de Algemene Rekenkamer (ARA) spraken jaarlijks (!) hun afkeuring uit over deze lage kwaliteit, het meestentijds onrealistische gehalte daarvan en over het feit dat begrotingen (op enkele uitzonderingen na) structureel (veel) te laat werden ingediend. Wettelijke bepalingen uit onze Staatsregeling werden hiermee chronisch overtreden.

Waar het bij begrotingen ging om te late indiening, werden (wettelijk vereiste!) goedgekeurde jaarrekeningen helemaal nooit ingediend. Vanaf de jaren ’60 is nooit een door de accountant goedgekeurde jaarrekening aan de Staten aangeboden. De wettelijke vereiste om de begroting te toetsen aan de hand van de jaarrekening werd daardoor jaarlijks overtreden gedurende de afgelopen 57 jaar. Niet voor niets herhaalden de RvA en de ARA in al hun rapporten dat hiermee het budgetrecht van de Staten werd uitgehold. Net als het geval was op het gebied van personeelsbeleid werden adviezen ter verbetering en alle waarschuwingen voor de gevolgen door alle regeringen, ongeacht politieke kleur, echter stelselmatig genegeerd. Dat gold ook voor het advies van de ARA in haar allereerste rapport over de jaarrekening van 1987 en daarna jaarlijks herhaald om een verbeterplan voor het financieel beheer op te stellen en uit te voeren. Dit advies werd gedurende 28 jaar genegeerd. Beide instanties hebben deze gang van zaken meerdere malen gekwalificeerd als ondeugdelijk bestuur. Dank zij het ingrijpen van de Koninkrijksregering via het instrument C(A)ft wordt voor het eerst daadwerkelijk uitvoering gegeven aan de verbetering van het financieel beheer. Dat op zijn vroegst in 2020 een allereerste goedkeurende accountantscontrole kan worden verwacht geeft duidelijk aan in welke belabberde staat het financieel beheer van Aruba verkeerde.

Maar ook de herhaalde adviezen uit de vorige eeuw van onder meer de RvA, ARA, de SER, het IMF en de commissie van Lennep om het complexe en achterhaalde belastingsysteem van Aruba te vereenvoudigen ter verhoging van de belastinginkomsten en ter voorkoming van de makkelijk toe te passen belastingontduiking werden door zowel de AVP als de MEP in de wind geslagen. Daarmee liep Aruba letterlijk vele honderden miljoenen florin, en mogelijk nog veel meer, mis. Even ernstig was het feit dat ondanks alle personeelsbenoemingen die door de decennia heen hebben plaatsgevonden, juist de personeelsbezetting van de controlerende instanties (CAD en de ARA) structureel terugliep ondanks dringende oproepen aan de zittende regeringen om die trend tegen te gaan. Beide instituten konden daardoor niet aan hun wettelijke verplichtingen voldoen. Dit had ernstige gevolgen voor de transparantie van het gevoerde financiële beleid. Ook deze vormen van nalatigheid zijn te categoriseren als een ernstige mate van ondeugdelijk bestuur.

Beide grote partijen maakten zich daarnaast schuldig aan de omzeiling van wettelijke bepalingen omtrent openbare aanbestedingen. Verder lapten zij de normen van transparantie aan hun laars en hielden zij zich niet aan gemaakte afspraken. De lijst van door beide partijen begane inbreuken op normen van deugdelijk bestuur is nog langer. Het gaat er dus niet om òf enig partij zich daaraan heeft schuldig gemaakt, maar meer in welke mate. Het maakt juridisch weinig uit of iemand die zich het eigendom van een ander wederrechtelijk toe-eigent, Afl. 5.000,- florin steelt of Afl. 500,-. In beide gevallen is er sprake van diefstal. Mutatis mutandis kan geen enkele partij die Aruba heeft ‘bestuurd’ zich vrij pleiten van het voeren van ondeugdelijk bestuur. Op de website http://www.deugdelijkbestuuraruba.orgstaan de belangrijkste normen van deugdelijk bestuur zoals weergegeven in Rapport Calidad. Daaruit blijkt dat slechts het verlenen van lippendienst daar (nog) geen deel van uitmaakt. Toch stemt het tot hoop dat deugdelijk bestuur kennelijk een belangrijk politiek thema wordt. De overstap van lippendienst naar daadwerkelijke uitvoering is moeilijk maar urgent.